FAQ

  • Wat is het doel van de Wet op de Beroepen in het onderwijs (wet BIO)?

    In de wet BIO staat de kwaliteit van het onderwijspersoneel centraal, want daarmee staat of valt de kwaliteit van het onderwijs. Het doel van de wet BIO is om een minimumniveau van kwaliteit te garanderen. Dit minimumniveau wordt uitgedrukt in zogenaamde bekwaamheidseisen. De gehele loopbaan in het onderwijs blijft het onderhouden van de bekwaamheid voor het onderwijspersoneel van belang. Werkgevers hebben de verantwoordelijkheid om hun personeel hiertoe in staat te stellen. Het gaat dus om bekwaam zijn èn bekwaam blijven.

  • Welke beroepen vallen onder deze wet?

    De wet BIO zorgt ervoor dat er bekwaamheidseisen (gaan) gelden voor leraren en ondersteuners in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs, het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie en voor schoolleiders in het primair onderwijs.

  • Wat wordt met de wet BIO geregeld?

    De kern van de beroepen worden in bekwaamheidseisen (een set van competenties)beschreven. Het gaat om landelijk geldend pakket van bekwaamheden waaraan iedere leraar, ondersteuner en schoolleider moet voldoen en moet blijven voldoen gedurende zijn of haar onderwijsloopbaan. Opleidingsinstellingen stemmen hun opleidingen ook af op de bekwaamheidseisen. Het gaat om een basispakket, waarnaast er ruimte is voor aanvullende competenties. Scholen kunnen bij het benoemen van personeel om extra vaardigheden of eigenschappen vragen die afgestemd zijn op hun specifieke situatie. Hierbij kan het gaan om één school, of om de situatie in een bepaalde regio of van een specifiek schooltype. Opleidingsinstellingen kunnen hierop inspelen. Verder zijn met deze wet ook de regels over zij-instroom definitief geregeld.

  • Wat is bekwaam en wat is competent?

    Leraren horen bekwaam en competent te zijn. Die begrippen worden echter nogal eens door elkaar gebruikt. De term bekwaamheid geeft aan dat de leraar in staat is datgene uit te voeren wat van hem verwacht mag worden. Bekwaamheid omvat een geïntegreerd geheel van kennis, inzicht, vaardigheden, motivatie, persoonlijke eigenschappen en gedragsrepertoire. Dat geheel stelt iemand in staat op een correcte manier te handelen in een bepaalde situatie.
    Om dit complexe, geïntegreerde geheel te kunnen hanteren, onderscheiden we daar elementen in. Dat gebeurt langs verschillende lijnen. Om te beginnen worden in het werk van de leraar deelaspecten onderscheiden en vervolgens wordt de bekwaamheidvoor deze deelaspecten aangegeven. Die bekwaamheid voor deelaspecten noemen we‘competentie’. In deze benadering is leraarsbekwaamheid dus opgebouwd uit verschillende competenties. Bovendien worden in een specifieke bekwaamheid of competentie verschillende elementen onderscheiden. Dat zijn de elementen ‘kennis’,‘vaardigheden’ en ‘houding’. De term ‘competentie’ staat hier dus voor een cluster van samenhangende kennis,vaardigheden en houdingen. Dat cluster stelt de leraar in staat een bepaald typeprobleemstelling adequaat - dat betekent: passend in de situatie - aan te pakken, overeenkomstig zijn rol en verantwoordelijkheid.

  • Hoe komen de bekwaamheidseisen tot stand?

    De beroepsbeoefenaren, dus leraren, onderwijsondersteuners en schoolleiders nemen zelf het voortouw in het opstellen van de bekwaamheidseisen. Ze bepalen zelf hoe de minimum kwaliteitseisen er wat hen betreft per beroep uit zouden moeten zien en leggen het resultaat voor aan de minister. De minister neemt het initiatief om de eisen in regelgeving op te nemen. Eenmaal per zes jaar is er gelegenheid tot herijken. De minister stelt de beroepsgroepen in de gelegenheid om ook daar een voorstel voor te doen.